Vraag mij wat mijn favoriete Nederlandstalige gedicht aller tijden is en ik antwoord zonder een seconde te hoeven twijfelen: Het kind en ik van Martinus Nijhoff (Den Haag, 20 april 1894 – aldaar, 26 januari 1953). Onbekend met dit pareltje in de Nederlandse literatuur? Hierbij:

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Dit gedicht, in 1934 gepubliceerd in de bundel ‘Nieuwe Gedichten, las ik voor het eerst in mijn eerste jaar van de studie Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit van Leiden. En ik was direct verkocht! Om z’n inhoud, z’n schoonheid en de onpeilbare diepgang. Nijhoff voor altijd in mijn hart…

En dan kwam ik er kortgeleden ook nog achter dat ‘Het kind en ik’ in Leiden sinds oktober 2002 te lezen is als muurgedicht op een tweetal huizen op de kop van de Formosastraat, kruising Sumatrastraat.

Martinus Nijhoff

Martinus Nijhoff was toneelschrijver, vertaler en essayist, maar wordt vooral aangemerkt als één van de eerste moderne dichters van de twintigste eeuw. Zijn werk had grote invloed op de Nederlandse poëzie, die hij op belangrijke wijze vernieuwde door in eenvoudige taal de meest complexe onderwerpen te beschrijven. In 1953 ontving Nijhoff de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. Nijhoff’s bundels als De wandelaar (1916), Vormen (1924) en Nieuwe gedichten (1934) zijn nog altijd erg populair onder dichters en lezers en ook zijn verzamelde gedichten worden nog met regelmaat herdrukt.

Categorieën: Taal & tekst

Scroll Up