‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’

Met z’n fraaie dubbele ontkenning voor mij al weer vele jaren een belangrijke lijfspreuk. Uit de roman ‘Bezonken rood’ van Jeroen Brouwers (Batavia, 30 april 1940). De zin is te vinden op de eerste echte tekstpagina van de roman. De volledige tekst aldaar:

‘De wind, die eigenlijk alleen zo nu en dan maar eens komt neergestreken, voortdurend komende van en onderweg naar elders, maar nooit constant op één plaats bezig, draagt vlaagsgewijs nu eens verkwikkende, dan weer onverkwikkende geuren aan, en soms een wolk vlinders of libellen, maar ook wel soms een zwerm zwarte vogels, – en is hij weer voorbij, dan blijft nog geruime tijd alles in de tuin, wat maar bewegen kan en door hem is aangeraakt, in beweging.’

Deze mysterieuze volzin vind ik terug in een aantekenboekje van meer dan tien jaar geleden. Ik heb hem nooit in enige tekst kunnen gebruiken, maar na al die jaren zet ik hem hier maar neer. Ik weet nu dat deze zin een metafoor is:
hij zou in een rouwadvertentie of in een doodsbrief kunnen staan.
‘De wind’, dat is: iemands leven.

‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.’

Bezonken rood is een (semi) autobiografische roman van Jeroen Brouwers uit 1981. Het werd geschreven naar aanleiding van het overlijden van Brouwers’ moeder en beschrijft onder andere de kleuterjaren van de auteur die hij tijdens de 2e wereldoorlog samen met z’n moeder doorbracht in het Japanse interneringskamp Tjideng op Java. De roman is de middelste uitgave van de Brouwers’ Indië-triologie over zijn jeugd in Nederlands-Indië. Bezonken rood werd voorafgegaan door de roman ‘Het verzonkene’ (1979) en -na vele jaren- gevolgd door ‘De zondvloed’ (1988).

Naast de inhoud, is het zeker ook Brouwers’ schrijfstijl waardoor Bezonken rood zo’n verpletterende indruk op mij heeft gemaakt. Maar oordeel gerust zelf:

In de mist. Bevend geschreven. De dood gaat mij niet aan. Het leven gaat mij niet aan. Laat ook mij maar eenzaam sterven, – wat maakt dat in godsnaam uit?
 
Die dagen, in de stilte van mijn huis, drukte ik soms de hoorn van het telefoontoestel tegen mijn oor en riep ik zo hard als ik kon tegen de zoemtoon:
‘Kwaak kwaak!’

Wat ik mij er in ieder geval van herinner is, dat ik van mijn moeder werd afgescheurd, zoals een vrucht die nog niet rijp is van de tak waaraan hij hangt niet wordt geplukt, maar gerukt, – waarvan dan alle bladeren van de boom onrustig ritselen.

Een fragment van een seconde lang beeldde ik mij in dat ik bij Liza in haar slaapkamer was: – ik scheurde het gaasachtige kleed van haar af en schoof in haar lichaam zoals jaren tevoren, achteloos haar sperrend door haar knieën ter weerszijden van haar lieflijke gezicht tegen de matras te drukken. Het gaat hier om het woord ‘achteloos’. Bij iedere stoot die ik haar toediende riepen zij en ik om de beurt een aanroep tot de heilige maagd: Geestelijk vat, Eerwaardig vat, Heerlijk vat van godsvrucht, Mystieke roos, Toren van David, Ivoren toren, Gouden huis… Bid voor ons. Bid voor ons. Kwaak! Kwaak! Daarna ontplofte ik in een flits van spierwit licht en verdween ik in het getik en geruis van honderden klokken.

Bereid was ik, het kostbaarste dat ik bezat, mijn Daantje-boek, te ruilen voor een spatje water, en het op één na kostbaarste dat ik bezat, mijn hoed, te ruilen voor wàtookmaar, zalf, olie, een rolletje verband, – maar niemand bezat meer iets dat minstens zo kostbaar werd geacht als een kapotbeduimeld kinderboekje en een versleten, smerige en stinkende tropenhelm. Met mijn hoed heb ik mijn moeder koelte toegewaaierd en ik heb haar kaalgeschoren hoofd gestreeld. Ik ben bij haar blijven waken na eerst de resten van haar bloemetjesjurk, haar bustehouder en haar onderbroek te hebben verzameld, – de resten van de rozenkrans heb ik laten liggen. ‘Jij gaat niet dood, hè mama?’ ‘Welnee, jongetje…’ En toen heb ik, om te doen alsof er iets anders aan de hand was dan er aan de hand was, en om mijn moeder taferelen voor te toveren die minder verschrikkelijk waren dan de taferelen waarvan wijzelf deel uitmaakten, voorgelezen uit mijn boek. Ik had daar geen licht voor nodig, al hing de gloed van het vuur als een rood waas over de bladzijden, – ik kende het boek volledig van buiten. ‘Daantje gaat op reis.’ ‘Geschreven door Leonard Roggeveen.’ ‘Stap-stap-stap. Daar gaat Daantje.’ Waar een bladzijde ontbrak, fantaseerde ik de gebeurtenissen zelf, – zoals het een schrijver in spe betaamt.

Later begon het te waaien, en ontstonden er waterdruppels tegen de buitenkant van het raam, die langzaam over het glas begonnen te schuiven, zodat er tussen mij en mijn andere ik een webachtig traliemotief ontstond en ik mijn gezicht in de mist in vloeibaarheid zag ontbinden.

Categorieën: Taal & tekst

Scroll Up