Disclaimer: onderstaande tekst verscheen tussen 2007 en 2008 in het kader van ‘Duizend Woorden’, een wekelijks radioprogramma, een website en een maandelijkse rubriek op de achterpagina van NRC Handelsblad.

‘We doen het bij jullie in het schuurtje,’ zei Mark. ‘Daar staat een bankschroef.’
‘Waarom bij ons?’ vroeg ik. ‘Jullie hebben toch ook een bankschroef?’
‘Omdat mijn vader thuis is. Als hij dat merkt, vermoordt hij me.’
Met zijn drieën stonden we op de hoek van de lege dorpsstraat. In mijn broekzak streelden mijn vingers de warme hulzen met de spitse kogels. Op onze geheime plek bij het meer lagen honderden van deze patronen uit de oorlog, keurig gerangschikt in meterslange snoeren.
‘Het kan ook bij Gertje,’ zei ik. ‘Daar hebben we het nog nooit gedaan.’ Gertje stond met zijn rug naar ons toe en schopte een kiezelsteen weg.
‘Wij hebben geen bankschroef… jammer genoeg,’ zei hij zonder om te kijken.
‘Nou, wat doen we?’ zei Mark.
‘Je kunt ze klem zetten tussen de straatstenen, dat is hetzelfde als in een bankschroef,’ zei Gertje.
‘Idioot!’ Snauwde Mark. ‘Wil je net als Eddie Eenoog eindigen?’
‘Eddie zette een spijker op het slaghoedje en sloeg er met een kei op. Logisch dat hij dan ontploft,’ zei Gertje. ‘Je moet tegen de zijkant slaan.’
‘Gertje, onze explosievenexpert,’ zei Mark.
‘We doen het wel bij ons,’ zei ik.In de schuur was het halfdonker. Dof glanzend lagen de drie patronen met roodkoperen hulzen in mijn hand. Vanuit mijn ooghoeken stelde ik vast dat Mark en Gertje gespannen toekeken. Ik zocht er een uit, draaide hem om en om, rook eraan, schudde hem naast mijn oor en knikte goedkeurend.
‘Deze is oké,’ zei ik en liet de andere patronen terug in mijn broekzak glijden. Ik zette de loden kogel muurvast in de bankschroef. De zes centimeter lange huls wees omhoog. In de vlakke bodem glinsterde het metaalblauwe slaghoedje. Als ik daar op sloeg, zou de huls uit elkaar spatten en zouden mijn vingers door de luchtdruk worden afgerukt. Mark stond naast me met een onverschillig gezicht te kijken. Gertje stond bij de schuurdeur met zijn hand op de deurkruk.
‘Ik kijk of er iemand aankomt,’ zei hij.
‘Jaja,’ zei Mark.
Ik pakte een hamer en een spijker, hield de spijker boven het slaghoedje en zwaaide de hamer omhoog.
‘Nee!’ schreeuwde Gertje, die meteen naar buiten sprong. Mark deed snel een stap opzij zodat hij achter me stond.
‘Geintje!’ grijnsde ik en gooide de spijker op de werkbank. ‘Nou daar komt ie.’
Met gestrekte arm hield ik de hamer aan het uiterste eind van de steel vast en bracht hem naast de huls.
‘Niet te hard,’ riep Gertje.
Ik draaide mijn hoofd af, beschermde mijn gezicht met mijn linkerarm en gaf een klap tegen de zijkant van de huls. Hij bleef rechtop staan.
‘Harder,’ zei Mark, die nog steeds veilig achter me stond. Opnieuw sloeg ik. De huls stond nu scheef op de kogel. Ik wrikte hem los en schudde de inhoud in de palm van mijn hand. De loodgrijze staafjes leken op de reservestiften achter het gummetje van mijn vulpotlood. Ik borg ze op in een luciferdoosje waar ik een elastiekje omheen deed. Toen stak ik het doosje in mijn borstzak en deed het knoopje zorgvuldig dicht.
‘Zo,’ zei ik.
‘Wat ga je met het kruit doen?’ vroeg Mark.
‘Bewaren,’ antwoordde ik gewichtig. ‘Tot ik genoeg heb.’
Mark stootte mij aan met zijn elleboog en wees met zijn ogen naar Gertje. Ik grinnikte.
‘Jouw beurt, Gertje,’ riep ik en graaide in mijn zak naar de volgende patroon. Gertje bleef bij de deur staan.
‘Ik hoef niet per se,’ zei hij.
‘Hij doet het in zijn broek,’ fluisterde Mark. Hij liep naar Gertje toe, greep hem in zijn nek en duwde hem naar de bankschroef.
‘Jij bent toch explosievenexpert?’ zei hij. ‘Laat maar eens zien dan.’
‘Pak aan,’zei ik en duwde een patroon in zijn hand. ‘En laat hem niet vallen. Je voet eraf is nog vervelender.’ Gertje keek naar de patroon alsof hij elk moment kon exploderen.
‘Wil jíj hem in de bankschroef zetten?’ vroeg hij aan mij. ‘Ik heb dat nog nooit gedaan.’
‘Niks ervan,’antwoordde ik. ‘Als er iets fout gaat, is het straks nog míjn schuld. Kom op expert, je bent toch niet bang?’
Gertje zette de kogel vast. Smekend keek hij ons aan, maar wij staarden uitdrukkingsloos naar het projectiel in de bankschroef.
‘Gebeurt er nog wat?’ vroeg Mark. Gertje pakte de hamer. Zijn hand beefde. Voorzichtig gaf hij een tikje tegen de zijkant van de huls. Mark slaakte een moedeloze zucht. Gertje beet op zijn onderlip, kneep zijn ogen stijf dicht en gaf op goed geluk een harde klap tegen de zijkant van de huls. De patroon vloog omhoog uit de bankschroef.
‘Duiken!’ schreeuwde ik, terwijl ik me op de grond liet vallen. Mark stond met twee sprongen buiten. Gertje stond naast de bankschroef. Met de hamer in zijn opgeheven hand leek hij op het standbeeld van een arbeider in een Oost-Europees land. Met open mond volgde hij het projectiel dat in een sierlijke boog door de lucht wiekte, op een stapel planken terecht kwam, omlaag rammelde en over de vloer terug rolde tot voor zijn voeten. Even heerste er een griezelige stilte.
Ik krabbelde overeind. Mark kwam binnen met een lijkbleek gezicht.
‘Sukkel!’ siste hij. Gertje legde de hamer op de werkbank alsof het een breekbaar kunstvoorwerp was. Daarna bukte hij zich en raapte het projectiel op van de grond. Het was vreemd, maar toen hij overeind kwam, speelde er plotseling een superieur lachje om zijn mond.
‘Jouw beurt, Markje,’ zei hij bijna vrolijk en drukte de kogel in Marks hand. Toen slenterde hij, zijn handen in zijn zakken, fluitend naar de deur die hij met zijn schouder openstootte. Op het grintpad naast de schuur knerpten zijn voetstappen. Stomverbaasd keek ik Mark aan. Zijn gezicht was vuurrood geworden. Onopvallend probeerde hij de donkere vlek in zijn kruis te verbergen.

Geef een reactie

Scroll Up